Emma en Juliette zijn in New York aangekomen in 1909.

 

‘Juliette, je gaat je ogen niet geloven. Dit is ook Amerika.’

Aangekomen in Bryant Park zien ze in het midden een tengere man met ogen diep in de oogkassen, hij heeft een klein snorretje en blijft onbeweeglijk staan. Hij heeft zopas de duiven gevoederd en nu strijken de vogels op hem neer. Op zijn hoofd en schouders en op de uitgestoken armen.

 

- ‘Wat een vieze troep’, merkt Juliette op, ‘hij moet volslagen gek zijn.’

- ‘Ik ken hem niet persoonlijk, maar hij komt hier iedere dag, jaar in, jaar uit. Steeds voltrekt zich hetzelfde scenario. Van sommige omstaanders ben ik vorige keer te weten gekomen dat hij op Long Island een toren bouwt waarmee hij elektriciteit draadloos wil vervoeren. Ze noemen hem dan ook ‘The nutty professor’. Hij is afkomstig uit Servië en woont hier al 25 jaar. Maar zo zie je wat de immigratie voor dit land betekent. De man heeft een labo vol met experimenten met elektriciteit en beweert een betere methode te hebben om stroom te vervoeren dan met gelijkstroom. Edison heeft hem uitgelachen. Hij beweert zelfs een toestel te kunnen maken waarmee hij andere toestellen die zich op een afstand bevinden, zou

kunnen bedienen. Stel je voor. Dit is de meest waanzinnige praat die ik ooit gehoord heb. Hij verblijft dag in dag uit op hotel en laat zich de smakelijkste gerechten voorschotelen. Ik heb hem enkele tijd geleden om zijn naam gevraagd: ‘Nikola Tesla’, meende ik te verstaan, maar ik ben niet helemaal zeker, zijn Engels is zwaar gecontamineerd door zijn Slavisch accent’.

 

 

Hoe het Dodenmasker in het bezit kwam van Robert H. Demulder

 

New York, zaterdag 27 september 1 969, 1 5u 30 EST (Eastern Standard Time), Madison Avenue 980

 

De veilingzaal van Sotheby’s in Madison Avenue zit afgeladen vol. Een geroezemoes heerst onder het talrijk opgekomen publiek. Door de grote ramen ziet men in de verte Central park met een stralende septemberzon en vele wandelaars die kuieren.

 

- ‘Lot 928, a beautiful Death mask, dated in the Mid Ptolemaic period of Egypt’, roept de veilingmeester door de microfoon. ‘I have an initial bid for 6000$.

 

In het publiek steekt een late twintiger zijn hand op en verhoogt het bod met 1 000 $. Dat is immers de afspraak die in het begin gemaakt werd: elk handopsteken gaat gepaard met een verhoging van het bod met 1 000$.

 

Deze bijna dertiger is Robert H. De Mulder, zoon van Robert De Mulder en van Pauline Vercammen. Hij is nu 29 jaar oud en heeft een succesvolle start van zijn loopbaan gehad nadat hij aan het Boston College 5 jaar eerder een MBA behaald heeft. Hij heeft een sportief uiterlijk met een getaand gezicht, is een zeilfanaat en heeft, hoewel hij hij in L.A. woont, is zijn hart nog steeds in zijn geboortestreek, New England. Werkend voor een consultancy bedrijf is hij door dat bedrijf gedelegeerd als consultant aan Ray Kroc die enkele jaren voordien een bedrijf van fastfood  overgenomen heeft van twee broers: de gebroeders Mc Donald. Zij hadden een simpel concept uitgewerkt: een gestandaardiseerde manier om een snelle hap klaar te stomen: een soort slap broodje met ertussen in een gebakken schijfje gemalen rundsvlees met uienringen en een augurk. Desgevallend een sneetje cheddarkaas erop en French fries als aardappelgerecht. Het geheel in een kartonnen doos gestopt. Bobby (want zo noemen zijn ouders hem) had de gebroeders Mc Donalds onder zijn bevoegdheid en zou ervoor zorgen dat het principe van het fastfood zou verder gestroomlijnd en geoptimaliseerd worden zodat het een zeer rendabele business zou worden. Voor een jongeman van 29 zat hij er trouwens al warmpjes in. Hij zou later ook verantwoordelijk worden voor het exporteren van het concept naar Nederland, Duitsland en Japan en Mc Donalds op die manier op de wereldkaart zetten.

 

- ‘I have a bid by telephone for 8000$’, roept de adjunct veilingmeester die met een telefoon voor zich zit met een open lijn. Het is duidelijk dat de persoon aan de andere kant anoniem wenst te blijven. Bobby steekt opnieuw zijn hand op, maar deze keer

voegt hij het woord bij de daad:

 

- ‘My last bid is 10.000$’, zegt hij. De adjunct veilingmeester neemt de hoorn op en deelt het bod van Bobby mee aan de tegenpartij. Daarop haakt hij de hoorn in en maakt een ontkennende beweging met het hoofd: de onbekende bieder heeft afgehaakt. Daarop slaat de veilingmeester met de hamer en roept:

 

‘The mask is auctioned off to the gentlemen over there with the brown suite in the left corner.’

 

De maçonnieke plechtigheid bij de eerste steenlegging van de sokkel van het Amerikaans Vrijheidsbeeld

 

In 1880 was het standbeeld met zijn 46 meter hoog bijna voltooid, maar bleef nog 2 jaar staan in afwachting dat de sokkel gebouwd werd. De vertraging in de bouw van de sokkel had hoofdzakelijk te maken met gebrek aan fondsen. Op 21 mei 1884 was het beeld helemaal voltooid. De sokkel werd een maçonnieke aangelegenheid: de eerste steen werd, net als die van het Witte huis, gedurende een maçonnieke plechtigheid gelegd. Dit gebeurde in de gietende regen op 5 augustus 1884: om 14 uur vertrok het schip de Bay Ridge met de Franse driekleur en de Amerikaanse vlag met een honderdtal vrijmetselaars van de Grootloge van New York naar het eiland.

Op het eiland werd door een Amerikaanse legerfanfare de ‘Marseillaise’ gespeeld. Daarna werd overgegaan tot het plaatsen van de hoeksteen op de Noordoostelijke hoek. Richard M.Hunt, architect van de sokkel en vrijmetselaar overhandigt de werktuigen aan William A. Brodie die ze verdeelt onder de officieren van de loge.

Edward Ehlers, Grootsecretaris leest luidop de lijst van objecten die zich in de koperen doos in de hoeksteen bevinden: de Amerikaanse Constitutie, de afscheidsrede van George Washington, 20 bronzen medailles met de beeltenis van Amerikaanse presidenten, een aantal New Yorkse kranten, een portret van Bartholdi, een exemplaar van Poem on Liberty van E. Johnes en de lijst op perkament van de officieren dignitarissen van de Grootloge van New York. Daarop wordt er nagegaan met passer en winkelhaak of de hoeksteen mooi kubiek is, waarop de adjunct Grootmeester met de troffel mortel aanbrengt en de steen er in legt , waarop de Grootmeester drie harde slagen slaat met de moker en verklaart dat de steen perfect gelegd is. Nadien volgen nog verscheidene redevoeringen.

 

Het overlijden van Paul Brecx op 26-jarige leeftijd, 9 dagen voor het einde van de Groote Oorlog

 

Een stukje uit 'Het Dodenmasker van Ptolemaeus I' van Alistair Dempsig over Paul Brecx en het einde van de Groote Oorlog. www.dodenmasker.com

Aangekomen in Calais op 12 oktober 1918 verneemt Paul dat ook daar een vreemde ziekte onder de soldaten rondwaart. Sommigen spreken van Spaanse griep, anderen beweren dat de Duitsers opnieuw zenuwgas gebruikt hebben.
Maar bij de Duitse troepen heeft de gevreesde ziekte ook al toegeslagen wat doet vermoeden dat het werkelijk om een griep gaat.
Paul, die erg verzwakt is, na jarenlange ontberingen en voedseltekort tracht zo goed als mogelijk te herstellen door gezond en regelmatig te eten en te rusten.
Helaas begint hij op 23 oktober hevige rillingen te krijgen, krijgt keelpijn en begint vreselijk te hoesten.
Enkele dagen later, op 25 oktober, wordt hij, na onderzoek door de kampdokter, opgenomen op de afdeling besmettelijke ziekten van het ziekenhuis van Calais, rue de la Tannerie.
- ‘Dokter, ik kan niet meer’, stamelt soldaat Paul Brecx.
- ‘Beste Paul het komt allemaal wel goed, je hebt de griep gekregen en wij gaan jou verzorgen zoals het hoort’, sust dokter Beauchamps.
- ‘Ik denk dat mijn dagen geteld zijn ‘, zegt Paul Brecx, maar de dokter reageert:
- ‘De oorlog is bijna voorbij, Paul, je moet sterk zijn, dan kan je terug naar je familie.’
Paul kijkt bedenkelijk en zegt tegen zijn arts:
- ‘Mijn einde is nabij. Nooit had ik gedacht zo aan mijn einde te komen: 34 maanden aan het front, de bombardementen, de sluipschutters, het gifgas, de verschrikkelijke taferelen waar medesoldaten uiteengereten worden door obussen, de extreem koude winters, ik heb het allemaal overleefd en nu dit…’
In de dagen die volgen gaat zijn toestand zienderogen achteruit, hij blijft hoesten, krijgt zeer hoge koorts die niet meer wijkt voor traditionele behandelingen en zinkt uiteindelijk weg in een diep coma. Hij kan niet meer eten of drinken en verliest het bewustzijn.
De behandelend arts zit met de handen in het haar: hij heeft alle tekens van een longontsteking als verwikkeling van de griep. Deze longontsteking loopt in 1 op de 2 gevallen fataal af.
Op 2 november 1918 overlijdt soldaat Paul Adrien Alexandre Ghislain Brecx in het ziekenhuis van Calais aan een pneumonie, gevolg van een griepinfectie en hij wordt op 6 november begraven.
Hij was net geen 27 jaar geworden. 
Negen dagen na het overlijden van Paul Brecx, op 11 november 1918, wordt de wapenstilstand ondertekend in een treinwagon te Compiègne. De Groote Oorlog, zoals hij later zou genoemd worden, was voorbij.
Tien jaar later, in september 1928, zou Sir Alexander Fleming toevallig een schimmel ontdekken die een ‘genezende’ stof produceerde: de penicilline. Zij zou de artsen in staat stellen een longontsteking adequaat te behandelen én te genezen. Voor Paul Brecx kwam deze ontdekking echter te laat.
Clémentine Merckaert, zijn moeder, van haar kant, heeft al enkele maanden geen brief van haar zoon meer ontvangen en, nu de wapenstilstand getekend is, is het voor haar bang afwachten. Van dag tot de dag bekruipt haar een angstig gevoel dat er met Paul iets gebeurd is. Op 12 maart 1919 wordt haar vrees bewaarheid als ze een brief ontvangt, gedateerd 10 maart en ondertekend door de Directeur-Generaal van het Ministerie van Oorlog in opdracht van de Minister:

 

Madame, Monsieur
J’ai l’honneur de vous faire part du décès du soldat Brecx Paul-Adrien du quatrième régiment d’artillerie….
De rest leest ze niet, alles wordt zwart voor haar ogen. Ze heeft nu werkelijk alles verloren dat haar dierbaar was en zinkt weg in een jarenlange, diepe depressie…
Enkele jaren later verkoopt zij de rechten op de sigarenbandjes van het merk Roldano aan de firma Maréchal & Brasseur, te Grâce-Berleur. De sigarenfabriek moet er enkele jaren later ook aan geloven en zij gaat inwonen bij Suzanne Merckaert in de Kattestraat.
Clémentine had immers de dochters van Triphon, Germaine en Suzanne, en Robert, de zoon van Juliette, in haar gezin opgenomen samen met Paul, haar zoon en ze met veel toewijding opgevoed
Tot bij het overlijden van Clémentine Merckaert in augustus 1951, ongeveer gedurende 33 jaar, merken de bewakers van de begraafplaats Nord van Calais ieder jaar op 2 november een dame die zich komt bezinnen op het graf nummer 547 op het Belgisch militair ereperk.
Het was een vriendin van Paul die heimelijk op hem verliefd was geweest maar nooit haar liefde had durven declareren. Zij kon hem gewoon niet vergeten en maakte daarom ieder jaar de reis naar Calais, ontroostbaar als ze was. Ze zou nooit huwen.